Eltjo Rugge en Harm Buiter: Twee socialistische stadsbestuurders

AfbeeldingArtikel in: I. Aalders, A. Brand (red), De kunst van het stadhuis. Openbaar kunstbezit van de gemeente Groningen, 2006.

Door de schilderijencollectie van het Groninger Stadhuis loopt als een rode draad de rijke geschiedenis van stad en ommeland. Behalve in historieschilderkunst en allegorische beelden komt deze geschiedenis naar voren in de portretkunst. Zo bieden de burgemeestersportretten die op verschillende plekken in het stadhuis hangen een aardig overzicht van lokale bestuurders door de eeuwen heen. In de oude raadszaal kijken de heren van onder hun gepoederde pruiken neer op de politici van nu. In de trappenhuizen en gangen zien we de aristocratische hoofden van burgemeesters uit een recenter verleden. Sommigen ogen trots of ernstig en zijn voorzien van de ambtsketen. Anderen lijken vriendelijk of zelfs vrolijk. Maar de meesten roepen vragen op over de wijze waarop ze invulling gaven aan hun ambt.

Tussen de vele donkere portretten hangen twee schilderijen die er door kleurigheid en stijl van schilderen nogal uitspringen. Het betreft het portret van burgemeester H.G. Buiter dat in 1991 werd geschilderd door Mathijs Röling en het dubbelportret dat Jan Altink in 1936 maakte van de Groninger wethouder Eltjo Rugge met zijn vrouw Anna Rugge – Mulder. Twee intrigerende portretten van socialistische stadsbestuurders die eveneens vragen oproepen over hun stijl van besturen.

Wethouder Eltjo Rugge en echtgenote geschilderd door Jan Altink
Strikt genomen past het schilderij van het echtpaar Rugge niet binnen de context van het stadhuis en de burgemeestersportretten. Eltjo en Anna Rugge vierden in de zomer van 1936 hun veertig jarig huwelijk en lieten zich bij die gelegenheid schilderen door Jan Altink, prominent lid van de Groninger kunstenaarsvereniging De Ploeg. Het werk is altijd in het bezit van de familie gebleven, totdat de gemeente het in 1999 kocht van Rugge’s kleinzoon Anne, die vernoemd was naar zijn grootmoeder Anna Rugge – Mulder.

Jan Altink schilderde het echtpaar zeer toepasselijk binnen de ambiance van huis en tuin, zittend tussen de bloeiende struiken, met rechts nog net de hoek van een bakstenen huis. Uiteraard figureerde de man hier in de eerste plaats als echtgenoot, maar Altink profileerde hem evenzeer als de bestuurder van formaat die hij in de loop der jaren was geworden. De trotse kop verraadt Rugge’s onbuigzame karakter. En opgesteld als een imposant borstbeeld steekt de wethouder in stijlvol grijs af tegen de bijna volkse kleurigheid van zijn vrouw. Altink schilderde van Eltjo Rugge een statieportret, terwijl Anna met haar ronde rug, haar glimmendrode wangen en stijf gepermanente haren toch bovenal de moeder is van de negen kinderen die ze met Rugge kreeg.

De tegenstelling tussen beide figuren, die hier immers als symbool van verbondenheid zijn vereeuwigd, geeft aan het totale beeld een psychologische lading en geheimzinnigheid die we ook bij de schilders van het magisch-realisme aantreffen.[1] Altinks werk is op het eerste gezicht een gewoon portret, dat bij pas nader inzien raadselachtig is en de verbeelding prikkelt. Want was Anna Mulder in de loop der jaren misschien zichzelf gebleven en zien we bij Rugge een aangeleerde waardigheid? En is de overheersende kleur van haar jurk een triviaal gegeven of refereert het rood als een verborgen symbool aan de revolutionaire idealen van haar man. Het zijn vragen waarover we slechts kunnen speculeren. Wel weten we dat Altink voor de wethouder ook een exlibris met sociaal gekleurde symboliek maakte. Hierin verwerkte hij de initialen van de SDAP in een brug tussen een verkrotte buurt en een wijk met verantwoorde sociale woningbouw.[2]

Dat Rugge zijn socialistische principes vertaalde in daden weten we uit de literatuur over het Socialisme en de Arbeidersbeweging.[3] Eltjo Rugge was geen salonsocialist en had het arbeidersbestaan aan de lijve ondervonden. Direkt na de lagere school ging hij als kleermakersknecht aan de slag. Vervolgens werkte hij nog jaren als broodbezorger voordat zijn loopbaan binnen de politiek in 1901 begon. Rugge was eerst gemeenteraadslid voor de SDAP in Groningen en werd later lid van de Provinciale Staten en van de Tweede en Eerste Kamer. Daarnaast was hij jarenlang wethouder van Volkshuisvesting en Openbare Werken, en vooral in deze functie heeft hij voor de arbeidersbevolking veel betekend. Wethouder Rugge was de ‘Wibaut’ van de stad Groningen[4]. Hij liet de krotten opruimen en nieuwe arbeidershuizen bouwen die van moderne gemakken waren voorzien. Onder zijn leiding kreeg de stad riolering en hij stimuleerde de bouw van zwembaden, badhuizen en speeltuinen.

Maar behalve om zijn verdiensten stond Rugge bekend om zijn stugge karakter en compromisloze houding, waarmee vriend en vijand binnen de politiek heel wat te stellen hadden. Zo ventileerde hij zijn revolutionaire ideeën op het verkeerde moment, toen hij op 14 november 1918 het voorbeeld van Troelstra volgde en op een bijeenkomst van de SDAP in de Groninger Harmonie de arbeiders aanzette tot een machtsovername. “Ik rui op eventueel tot verzet tegen de leidende machten in ons land”, zo sprak Rugge, die hierdoor in conflict kwam met het partijbestuur en onacceptabel werd voor een wethouderspost.[5] Het was dan ook als vervanger van een zieke partijgenoot dat hij in 1923 alsnog kon aantreden als wethouder van Volkshuisvesting en Openbare Werken. Op 1 december 1924 kreeg hij de portefeuille definitief, waarna hij meer dan twintig jaar deel uitmaakte van het dagelijks bestuur van de stad. En het is ongetwijfeld vanwege zijn betekenis als wethouder dat het door Altink geschilderde werk intussen deel uitmaakt van de collectie portretten van Groninger stadsbestuurders.

Burgemeester Harm Buiter geschilderd door Mathijs Röling
Anders dan Eltjo Rugge, die door Altink trots en monumentaal werd voorgesteld, is burgemeester H.G. Buiter in de visie van Mathijs Röling een toegankelijke, bijna vaderlijke man. Mede door het materiaalgebruik heeft het portret een open  en informeel karakter. Röling schilderde de burgemeester met een losse impressionistische toets in rustige blauwgroene tinten, die nagenoeg ton-sur-ton zijn opgezet. Het is een favoriete werkwijze van de schilder, zoals ook zijn voorliefde voor gestreepte stoffen en stofbanen naar voren komt in de keuze van de stoel en de bijzondere achtergrond. Typerend voor Röling is verder de neiging naar het karikaturale, door de onregelmatigheden in hoofd en handen te accentueren. En natuurlijk de humor, waarmee hij heel terloops het pijpje schilderde dat rechts ter hoogte van Buiters schouder door de lucht zweeft, alsof het bij nader inzien niet mocht ontbreken. De burgemeester en zijn pijp waren immers onafscheidelijk. Röling schilderde Buiter niet geïdealiseerd, maar als een gewone man die van een grapje hield, hoewel zijn houding ook rust en stabiliteit uitsraalt. Al met al is het een sterk gelaagd beeld. Maar anders dan Altink, die Rugge profileerde met schelle contrasten, speelde Mathijs Röling zijn spel met de werkelijkheid subtiel. Met het opgedofte kokette stoeltje, de zwevende pijp, de banen stof die als coulissen de suggestie van een podium wekken plaatste hij de burgemeester tegen een decor met rekwisieten. Röling schilderde theatraal, maar zonder grote gebaren, waarbij hij de positie van de burgemeester zowel respectvol als relativerend weergaf.

Die positie was overigens niet altijd gemakkelijk. Bij zijn aantreden in 1971 werd Buiter door wethouder Jacques Wallage getypeerd als een intelligente, snel reagerende “doordouwer”,[6] en die kwaliteiten had hij zeker nodig. Politiek Groningen maakte in de zeventiger jaren namelijk woelige tijden door en Buiter had zijn handen vol aan het bezweren van de verschillende bestuurscrises. Jonge idealistische wethouders als Max van de Berg, Jos Staatsen, Jaques Wallage en Bert Barmentloo wilden groots en meeslepend carrière maken in de lokale politiek, maar stuitten op pittige tegenstand van de oudere garde. In deze explosieve situatie trad Buiter op als een soort coach en, vaak in gezelschap van zijn vrouw, als een pater familias. Tijdens de meikermis in 1973 trakteerde hij de politici na afloop van de raadsvergadering op poffertjes, maar hij waste hen evengoed de oren als dit nodig was.[7] Burgemeester Harm Buiter had een vanzelfsprekend overwicht. En het is de bijzondere verdienste van Mathijs Röling dat hij een treffend burgemeestersportet maakte, maar daarbij trouw bleef aan zijn eigen artistieke opvattingen.

Annemarie Timmer, ‘Eltjo Rugge en Harm Buiter: Twee socialistische stadsbestuurders’, in: I. Aalders, A. Brand (red), De kunst van het stadhuis. Openbaar kunstbezit van de gemeente Groningen, 2006.


[1] Met name Pyke Koch en Carel Willink

[2] Informatie over het exlibris is ontleend aan Cees Hofsteenge en Anne de Boer, De Ploeg en het exlibris, Groningen 2003, p. 15.

[3] Zie voor informatie over Rugge’s politieke loopbaan: B. de Vries, ‘Een sociaal-democraat in hart en nieren: Eltjo Rugge’, in: M. Duijvendak en  B. de Vries, (red), Stad van het Noorden. Groningen in de twintigste eeuw, Assen  2003, pp. 67-69.

[4] F.M. Wibaut was met een onderbreking van twee jaar van 1914-1932 wethouder van Volkshuisvesting en Arbeidszaken in Amsterdam. Evenals Rugge was hij lid van de SDAP en was hij een groot voorvechter van betaalbare sociale woningbouw.

[5] B. de Vries, in: Duijvendak en De Vries, p. 68.

[6] B. de Vries, in: Duijvendak en De Vries, p. 399.

[7] Informatie over Buiter in zijn rol binnen B en W is ontleend aan B. de Vries, in: Duijvendak en De Vries, pp. 399-429.